Categorie |
Wilde plant |
|
![]() |
Halfschaduw | |
![]() |
Schaduw | |
![]() |
Bloeimaanden: | april-mei |
![]() |
Hoogte: | 10-20 cm |
Levensduur | winterhard, bladverliezend | |
|
|
||
Nederlands: |
Lelietje van dalen, meiklokje |
Wetenschappelijk: |
Convallaria majalis |
Familie: |
Liliaceae (leliefamilie) |
Bronnen: |
tuinadvies, wilde-planten |
Land van oorsprong: |
|
Plaats: |
achtertuin, voortuin |
Wortels: |
Lange, dunne, kruipende en zich vertakkende wortelstokken met uitlopers. |
Stengels: |
De stengels zijn gootvormig. De steel van het ene blad omsluit die van het andere blad en heeft aan de voet groene of paarse schubben. Lelietje van dalen vormt grote groepen. |
Bladeren: |
Elke plant heeft meestal 2 bladeren. Deze zijn gesteeld, elliptisch tot langwerpig en spits. |
Bloemen: |
De bloemen vormen slanke, naar 1 kant gekeerde trossen. Meestal zijn de bloemen 0,8 tot 1 cm lang. Ze zijn wit of soms roze, klokvormig en hangen aan gekromde steeltjes. Ze verspreiden een duidelijke geur. De korte stijl heeft een 3-lobbige stempel. De 6 bloembladen zijn, met elkaar vergroeid. De slippen zijn naar buiten gebogen |
Groeiplaats: |
Bossen (loofbossen, parkbossen en landgoedbossen), zeeduinen (duinbossen), struwelen, brede houtwallen, brede hagen, grasland (bergweiden) en puin. |
Bodem/grond: |
Beschaduwde tot halfbeschaduwde plaatsen op matig droge tot matig vochtige, matig voedselrijke, zwak zure grond (leem, löss, zand, mergel en stenige plaatsen). |
Vermeerdering: |
Wortelstokken zorgen er voor dat de plant zich flink verspreidt. |